Door ir. Shailin Sewmangel
13 september 2026 · 12 minuten lezen
Een productiebedrijf plaatst trillingssensoren op al zijn pompen. In het half jaar daarna doen zich drie functionele storingen voor. Twee daarvan heeft de monitoring niet zien aankomen: de oorzaken waren een lekkende asafdichting en een verstopte zuigleiding, en geen van beide geeft een afwijkend trillingsbeeld. De derde storing heeft de monitoring wel zien aankomen, drie dagen van tevoren. Het lager dat vervangen moest worden, had een levertijd van zes weken.
Wat hier is overgeslagen, is een vraag die vooraf hoort te gaan aan de aanschaf van meetapparatuur: welke faalwijze wilt u zien aankomen, kondigt die zich aan, en wat kunt u doen zodra u hem ziet? Conditiebewaking is pas zinvol wanneer aan die drie voorwaarden is voldaan. Dit artikel beschrijft hoe u dat per faalwijze beoordeelt, en waar predictive maintenance in die beoordeling past.
Waar de keuze begint
De keuze voor conditiebewaking begint bij de faalwijze, niet bij de sensor.
Een FMECA levert per asset een overzicht van faalwijzen op, met per faalwijze het effect, het gevolg en het risico. Binnen RCM vormt die analyse de basis voor de stap die erop volgt: per faalwijze een passende taak kiezen. Dit artikel gaat over die stap. Hoe u een FMECA uitvoert, staat in FMECA uitvoeren in acht stappen; welke assets daarvoor als eerste in aanmerking komen, in Criticaliteitsanalyse in zes stappen.
Een hoog risico betekent dat u expliciet moet kiezen hoe u met die faalwijze omgaat. Dat kan een onderhoudstaak zijn, maar ook een aanpassing van het ontwerp of een bewuste acceptatie onder voorwaarden. Het betekent in elk geval niet dat conditiebewaking de vanzelfsprekende keuze is. RCM onderscheidt vier soorten proactieve taken: conditiegericht onderhoud, periodiek herstellend onderhoud, periodiek vervangen en de functietest bij verborgen falen. Wanneer geen van die vier technisch toepasbaar en effectief is, blijven twee uitkomsten over: herontwerp, of bewust storingsafhankelijk. Welke taak passend is, hangt onder meer af van het faalgedrag en de consequenties van de faalwijze, en beide verschillen per faalwijze.
De interactieve faalbeslisboom doorloopt die keuze stap voor stap. Bij conditiegericht onderhoud stelt hij de vraag waar dit hele artikel om draait: kondigt de degradatie zich tijdig en meetbaar aan?
Faalgedrag en aankondiging zijn twee verschillende vragen
Twee eigenschappen van een faalwijze worden in de praktijk vaak door elkaar gehaald, terwijl ze verschillende vragen beantwoorden.
Het faalpatroon zegt of leeftijd iets voorspelt. Sommige onderdelen falen vaker naarmate ze ouder worden, zoals een afdichting die uithardt of een filter dat dichtslibt. Andere onderdelen falen op een moment dat niet samenhangt met hun leeftijd; elektronica gedraagt zich vaak zo, en veel lagers ook. Bij een leeftijdsgebonden patroon kan periodiek vervangen een zinvolle taak zijn. Bij een willekeurig patroon is leeftijd geen betrouwbare basis om het vervangmoment te kiezen: u vervangt dan onderdelen die nog goed waren, zonder de zekerheid dat u de functionele storing daarmee voor bent.
Het P-F-interval zegt of conditie iets voorspelt, en dat is een andere vraag. Een lager kan op een onvoorspelbaar moment schade oplopen en vanaf dat moment toch wekenlang meetbaar degraderen voordat het vastloopt. Het moment waarop de degradatie begint is dan niet te voorspellen, maar de ontwikkeling daarna kan wel degelijk te volgen zijn.
Daarom klopt de veelgehoorde stelling niet dat willekeurig falen ongeschikt zou zijn voor conditiebewaking. Het faalpatroon bepaalt of vervangen op leeftijd werkt. Of meten werkt, hangt af van iets anders: bestaat er vóór de functionele storing een toestand die betrouwbaar waar te nemen is?
Wat het P-F-interval is
P staat voor potentiële storing: het eerste moment waarop u betrouwbaar een toestand kunt detecteren die erop wijst dat de faalwijze zich ontwikkelt richting een functionele storing. Een lager dat afwijkend begint te trillen, een aansluitklem die warmer wordt dan de klemmen ernaast, een olieanalyse waarin metaaldeeltjes opduiken.
F staat voor functionele storing: het moment waarop de asset zijn functie niet meer vervult binnen de norm die u ervoor heeft gesteld. De pomp levert geen 80 m³/h meer, of helemaal niets.
Het P-F-interval is de tijd tussen die twee momenten, en daarmee de tijd waarin u nog kunt ingrijpen.
Het P-F-interval
Hoe eerder een techniek de degradatie betrouwbaar detecteert, hoe groter het deel van het interval dat u kunt benutten. De volgorde van de technieken verschilt per faalwijze; dit is een voorbeeld.
Een misverstand dat vaak voorkomt, is dat P het moment zou zijn waarop de degradatie begint. Een lager kan al maanden aan het slijten zijn voordat een bepaalde techniek dat betrouwbaar kan detecteren. P is het moment waarop u de degradatie kunt detecteren, en dat hangt af van de methode. Bij sommige lagerdefecten reageert een ultrasoonmeting eerder dan een gewone trillingsmeting, en een trillingsmeting neemt meer waar dan een hand op het lagerhuis. Dezelfde faalwijze heeft dus verschillende bruikbare intervallen, afhankelijk van de techniek. Het fysieke verloop van de degradatie verandert daar niet door; wat verandert, is hoe vroeg u het kunt detecteren en dus hoeveel van dat verloop u kunt benutten. Soms is een betere meetmethode daarvoor genoeg en is een andere sensor niet nodig.
Het interval is bovendien nooit één getal. Het varieert per exemplaar, per belasting en per omgeving. Wat u nodig heeft, is een orde van grootte waar u een keuze op kunt baseren: uren, dagen, weken of maanden.
Niet de asset, maar de faalwijze
De uitspraak "deze pomp is geschikt voor conditiebewaking" klinkt logisch, maar zegt te weinig om er iets mee te kunnen.
Een pomp heeft niet één manier om zijn functie te verliezen. Het lager kan vastlopen, de asafdichting kan gaan lekken, de waaier kan caviteren, de zuigleiding kan verstoppen en de motor kan een fase verliezen. Elk van die faalwijzen kondigt zich anders aan, of helemaal niet, en elk heeft zijn eigen P-F-interval. Een trillingsmeting zegt iets over het lager en over cavitatie, maar niets over een lekkende afdichting; een drukmeting laat de verstopping zien, maar niet het lager.
De vraag is daarom nooit of u de pomp gaat monitoren. De vraag is welke faalwijze u wilt zien aankomen, met welk signaal, en hoeveel tijd u daarna heeft. Dat zijn de vier vragen hieronder.
Vraag 1 — Is deze faalwijze het waard?
Niet elke faalwijze verdient dezelfde inspanning. Een sensor kost geld, maar ook het verzamelen, beoordelen en opvolgen van meetdata vraagt capaciteit. Beoordeel daarom eerst het gevolg: wat betekent deze functionele storing voor de veiligheid, de productie, het milieu en de kosten? De criticaliteitsanalyse doet dat op het niveau van de asset, de FMECA op het niveau van de faalwijze.
Een faalwijze met een beperkt gevolg mag bewust storingsafhankelijk blijven; die keuze is geen nalatigheid zolang hij expliciet is gemaakt. Een faalwijze met een ernstig gevolg vraagt om een expliciete keuze voor een passende beheersmaatregel, en dan komen de vragen 2 tot en met 4 aan de orde.
Vraag 2 — Kondigt de degradatie zich aan?
Bestaat er vóór de functionele storing een toestand die u betrouwbaar kunt waarnemen?
Bij veel lagerdefecten wel: trilling, temperatuur of geluid veranderen voordat de functionele storing optreedt. Bij een afdichting hangt het af van de faalwijze: een geleidelijk toenemende lekkage is zichtbaar, een plotselinge breuk niet. Bij elektronische besturingen ligt het genuanceerd. Sommige faalwijzen, zoals een verouderende condensator of een aansluiting die warm loopt, kondigen zich aan; andere, zoals een halfgeleider die doorslaat, doen dat niet.
Welke techniek u nodig heeft, hangt af van de faalwijze. De tabel hieronder zet zes technieken op een rij die in de praktijk het meest worden ingezet, met de faalwijzen waar ze het eerst op reageren en de orde van grootte van het interval dat ze doorgaans geven. De laatste kolom is nadrukkelijk een indicatie. Het werkelijke interval hangt af van het defect, de installatie, de belasting en de manier van meten, en kan per exemplaar sterk verschillen. Gebruik die kolom om technieken onderling te vergelijken, niet als richtwaarde voor uw eigen installatie.
| Techniek | Waar u hem inzet | Welke faalwijzen hij het eerst ziet | Orde van grootte (illustratief, geen richtlijn) |
|---|---|---|---|
| Trillingsanalyse | Roterende machines: pompen, ventilatoren, compressoren, motoren | Lagerschade, onbalans, uitlijningsfouten, losse delen | Weken tot maanden |
| Ultrasoon | Lagers, persluchtlekkages, stoomafsluiters, elektrische ontlading | Beginnende lagerschade, lekkage, boogvorming | Weken; bij lagers vaak een vroeg signaal |
| Thermografie | Schakelkasten, MCC's, motoren, isolatie | Losse aansluitingen, hotspots, isolatiefalen | Dagen tot weken |
| Olieanalyse | Tandwielkasten, hydrauliek, compressoren, dieselmotoren | Slijtage via metaaldeeltjes, vervuiling, verkeerde olie | Maanden |
| MCA en ESA (elektrisch) | Elektromotoren, generatoren, transformatoren | Rotorstaafbreuk, statorisolatie, fase-onbalans | Maanden |
| Procesparameters | Pompen, warmtewisselaars, filters | Cavitatie, verstopping, vervuiling, rendementsverlies | Sterk wisselend |
Drie dingen in deze tabel verdienen aandacht.
Procesparameters zijn in veel installaties al beschikbaar. Druk, debiet, temperatuur en opgenomen vermogen worden vaak gemeten voor de procesbesturing, en die metingen zijn ook bruikbaar als conditie-indicator, zonder dat er een sensor bij hoeft. Een pomp waarvan het opgenomen vermogen langzaam stijgt bij gelijk debiet, kan aanleiding zijn om naar slijtage, verstopping of veranderde bedrijfscondities te kijken.
De eerste aanwijzing komt in de praktijk vaak van de operator die de installatie dagelijks hoort en ziet, nog voordat een meting de verandering bevestigt. Ook een periodieke ronde met een handthermometer of een ultrasoonpistool valt onder conditiebewaking. Het begrip roept beelden op van online systemen en dashboards, maar een inspectie met een meetinstrument hoort er evengoed bij, en is voor veel faalwijzen technisch en economisch de betere keuze.
Kunstmatige intelligentie staat niet in de tabel, en dat is bewust. AI is geen meettechniek; het is een manier om meetdata te analyseren. Daar komen we op terug bij de vraag waar predictive maintenance begint.
Vraag 3 — Is het interval lang genoeg?
Een signaal alleen is niet genoeg. Er moet voldoende tijd zitten tussen het moment waarop u het signaal waarneemt en het moment waarop de functie wegvalt, en uw meetfrequentie moet bij die tijd passen.
Stel dat een faalwijze zich zes uur van tevoren betrouwbaar aankondigt. Wie de meetdata één keer per week beoordeelt, loopt dan een grote kans dat de functionele storing tussen twee beoordelingen door valt. De techniek is dan goed, maar het interval is te kort voor deze manier van meten. Omgekeerd hoeft een olieanalyse die maanden vooruit kijkt, niet wekelijks te worden herhaald.
Neem de koelwaterpomp P-101 uit het FMECA-artikel: één asset, vier faalwijzen, vier verschillende antwoorden.
| Faalwijze | Wat u waarneemt vóór de functionele storing | Techniek | Orde van grootte (illustratief, geen richtlijn) |
|---|---|---|---|
| Pomplager loopt vast | Trilling en temperatuur van het lagerhuis nemen toe; ultrasoon neemt het vaak eerder waar | Ultrasoon, trillingsanalyse | Weken |
| Asafdichting lekkend | Zichtbare lekkage, oplopend lekverlies | Visuele inspectie, lekdetectie | Dagen tot weken |
| Waaier caviteert | Knetterend geluid, drukschommeling, dalend debiet | Procesparameters, trilling, ultrasoon | Uren tot dagen na het ontstaan; kan snel schade geven |
| Losse aansluiting in de motorkast | Hotspot op de aansluitklem, spanningsonbalans | Thermografie onder belasting | Dagen tot weken |
Wie zegt "we monitoren P-101 elke maand", kan voor het lager passend zijn, voor de afdichting misschien, maar voor cavitatie te laat. Eén meetfrequentie voor één asset kan alleen kloppen wanneer alle faalwijzen zich met dezelfde snelheid ontwikkelen, en dat is zelden het geval.
Een vuistregel die u vaak hoort, is inspecteren op de helft van het P-F-interval. Dat is een startpunt, geen regel. De juiste frequentie hangt ook af van hoe sterk het interval varieert, hoe betrouwbaar de techniek een afwijking herkent, wat de functionele storing kost, en hoe snel de degradatie versnelt zodra ze begonnen is. Bij een faalwijze met een ernstig gevolg en een sterk wisselend interval meet u vaker dan de helft; bij een beperkt gevolg en een stabiel, lang interval kan het minder.
Ook de betrouwbaarheid van de detectie is bepalend. Een techniek die regelmatig alarm geeft zonder dat er iets aan de hand is, verliest het vertrouwen van de mensen die de meldingen moeten beoordelen, en daarmee zijn waarde.
Vraag 4 — Kunt u er binnen die tijd iets mee?
Dit is de vraag die het vaakst wordt overgeslagen, en die het voorbeeld uit de opening beslist.
Een signaal drie dagen voor de functionele storing is technisch een succes. In die drie dagen moet er echter een diagnose komen, een werkorder, een onderdeel, een monteur, een moment waarop de installatie stil mag, en een veilige uitvoering. Wanneer het lager zes weken levertijd heeft, is de detectie goed en de uitkomst dezelfde als zonder detectie: de pomp valt uit, alleen wist u het ditmaal van tevoren.
Het P-F-interval moet dus niet alleen lang genoeg zijn om de degradatie te vinden. Er moet daarna nog tijd overblijven voor alles wat tussen vinden en verhelpen zit. Dat maakt het niet alleen een technisch, maar ook een organisatorisch vraagstuk. Ligt het onderdeel op voorraad? Is er een vast venster in de planning waarin dit soort werk past? Wie mag beslissen dat de pomp uitgaat?
Wie een lange levertijd heeft voor een onderdeel met een kort interval, heeft twee keuzes: het onderdeel op voorraad leggen, of accepteren dat de detectie de functionele storing niet voorkomt maar alleen aankondigt. De rekenhulp reservedelen helpt bij de eerste keuze.
Passief of voorspellend: waar predictive maintenance begint
Tot hier ging het over conditiebewaking. De vraag waar predictive maintenance past, vraagt eerst om een indeling.
Alles wat u doet vóór de functionele storing is preventief onderhoud. Dat kan op twee gronden: op leeftijd of gebruik, waarbij het faalpatroon bepaalt of dat werkt, of op conditie, waarbij het P-F-interval bepaalt of dat werkt. In de indeling die Tinga in zijn handboek gebruikt, en die wij hier volgen, is predictive maintenance geen derde categorie naast die twee, maar de veeleisende vorm van de tweede.
Hij maakt daarbij een onderscheid dat hier de kern vormt. Conditiegericht onderhoud kan passief worden toegepast: u meet, en grijpt in zodra een waarde een drempel overschrijdt. Het lager trilt boven de grens, dus het gaat eruit bij de eerstvolgende stop. Dat is klassiek conditiegericht onderhoud.
Het kan ook voorspellend: u volgt de trend en schat wanneer F komt, wat meer tijd geeft om te plannen. Dat vraagt echter meer dan een bruikbaar P-F-interval. Het vraagt een degradatie die zich voorspelbaar ontwikkelt, voldoende meetgeschiedenis om die ontwikkeling te kennen, en meetdata die schoon genoeg is om een trend van ruis te onderscheiden. U kunt een lager hoorbaar slechter horen worden zonder te kunnen zeggen of het nog twee weken of twee maanden meegaat. Meten en voorspellen zijn twee verschillende dingen.
Hier komt kunstmatige intelligentie in beeld, en hier hoort ook een nuchtere kanttekening. AI kan helpen om in meetdata patronen over meerdere signalen tegelijk te herkennen, en afwijkingen en trends die met een enkele drempelwaarde niet zichtbaar worden. Daarmee kan het de stap van trend naar voorspelling ondersteunen. Dat werkt echter alleen op meetdata die eerst schoon is verzameld, over een periode die lang genoeg is om normaal van afwijkend te onderscheiden, en op voldoende representatieve gegevens om bruikbare patronen te kunnen onderscheiden. Bij een handvol machines en een korte meetgeschiedenis heeft u aan een drempelwaarde meer dan aan een model. Voorspellen wordt pas een optie wanneer populatie en geschiedenis groot genoeg zijn, en hoeveel dat is, hangt af van het model en van de faalwijze.
De volgorde is daarmee helder. Eerst weten welke faalwijze u wilt zien; dan weten of ze zich aankondigt en waarmee; dan meten, met een drempelwaarde; en pas wanneer dat werkt en er een langere meetgeschiedenis is opgebouwd, wordt voorspellen een optie. Wanneer de technologie het vertrekpunt is, ontstaat al snel veel data zonder dat vooraf duidelijk is welke onderhoudsbeslissing ermee ondersteund moet worden.
Elke sensor voegt een verbinding toe
Eén invalshoek komt in verhalen over predictive maintenance zelden aan bod, en hoort op deze site niet te ontbreken.
Een online sensor voegt digitale connectiviteit toe aan uw OT-omgeving. Soms rechtstreeks op het besturingsnetwerk, vaker via een gateway of een apart sensornetwerk, en bijna altijd met een koppeling naar een platform buiten de installatie. Wie honderden sensoren plaatst, voegt daarmee nieuwe verbindingen en nieuwe partijen toe, vaak een leverancier die op afstand wil kunnen meekijken. Dat is de situatie die in het artikel over OT-security wordt beschreven, en waarvoor de Cyberbeveiligingswet sinds augustus 2026 een zorgplicht oplegt aan organisaties die eronder vallen.
Neem daarom de zone-indeling en de toegang tot het netwerk mee in de beslissing, niet pas achteraf. Een sensor die de degradatie van een lager zichtbaar maakt, kan tegelijk een nieuw digitaal risico toevoegen aan de beheersing van dezelfde asset.
Wanneer conditiebewaking weinig toevoegt
Uit de vier vragen volgt de lijst met situaties waarin een andere taak beter past.
De faalwijze heeft een gevolg dat de inspanning niet rechtvaardigt. Er is geen betrouwbaar signaal vóór de functionele storing. Het signaal komt pas zo kort van tevoren dat ingrijpen niet meer mogelijk is. Het interval varieert zo sterk dat er geen meetfrequentie te kiezen is die het vangt. De techniek geeft te veel meldingen zonder dat er iets aan de hand is. De organisatie kan binnen het interval niet handelen. Of de kosten van meten en beoordelen staan niet in verhouding tot wat de functionele storing kost.
In elk van die gevallen is een andere taak beter: periodiek vervangen wanneer het faalpatroon dat toelaat, een functietest wanneer het om een beveiliging gaat, herontwerp wanneer het gevolg onaanvaardbaar is en niets anders werkt, of bewust storingsafhankelijk wanneer het gevolg beperkt is. De faalbeslisboom leidt daar naartoe.
Willekeurig faalgedrag staat bewust niet in die lijst. Dat is op zichzelf geen reden om conditiebewaking af te wijzen; de vraag blijft of er een bruikbare potentiële storing bestaat, en bij veel willekeurig falende onderdelen is die er.
Waar de beslissing ligt
Het P-F-interval wordt vaak gepresenteerd als een technisch begrip, iets voor de trillingsspecialist. Het is in de eerste plaats een beslisconcept. Het geeft aan hoeveel tijd er zit tussen het moment waarop u een degradatie kunt detecteren en het moment waarop de functie wegvalt, en die tijd bepaalt of meten u helpt om onderhoud beter te plannen, of alleen om de functionele storing eerder te weten.
De keuze voor conditiebewaking begint daarom niet bij de technologie. Eerst bepaalt u welke faalwijze u wilt beheersen en welke consequenties die heeft. Vervolgens beoordeelt u of die faalwijze zich aankondigt, hoe u dat kunt detecteren en hoeveel tijd er daarna overblijft om te handelen. Pas daarna komt de vraag welke sensor, welke inspectie of welk platform daarbij past.
Verder lezen
Welke faalwijzen een asset heeft en welk gevolg ze dragen, bepaalt u in FMECA uitvoeren in acht stappen. Welke assets daarvoor als eerste aan de beurt zijn, in Criticaliteitsanalyse in zes stappen. Of een onderdeel op voorraad moet, rekent u na met de rekenhulp reservedelen.
Bronnen
- Tinga, T., Principles of Loads and Failure Mechanisms: Applications in Maintenance, Reliability and Design, Springer, 2013. Hoofdstuk 5 en 6 voor de indeling van onderhoudsbeleid en het onderscheid tussen passief en voorspellend conditiegericht onderhoud.
- Moubray, J., Reliability-centred Maintenance, tweede editie, 1997. Het P-F-interval en de voorwaarden voor conditiegerichte taken.
- Nowlan, F.S. en Heap, H.F., Reliability-Centered Maintenance, 1978. De zes faalpatronen.
- De technologietabel en het pompvoorbeeld zijn ontleend aan een webinar van Infinity Asset Management over predictive maintenance, 2025. De intervallen zijn indicaties uit de praktijk.